![]() |
Painting (Car) i.s.m. 't Valies en Irene van Velzen 19 januari 2008 Garage van der Windt Cult Royale Festival Schipluiden www.cultroyale.nl
Julia in actie-Irene in actie- 't Valies in actie
Painting (Car), model, 2008
"Wilt u één foto lang mijn familie zijn?" Instant Family atelierproject Julia van Adrichem, Kunstroute Leiden, 2007
Zicht op Kunsteyssen Artist in Residence: Julia van Adrichem 9 maart t/m 29 april 2007 www.kunsteyssen.nl
Tafel van lucht
Stadsgalerie Gouda 28 februari t/m 25 maart 2007 Corinne Egas, Marijke Uittenbroek, Boudewijn Schrijver, Yvonne Oude Vrielink, Julia van Adrichem
Painting (Gouda) 2007
5PAcK 2 februari t/m 4 maart 2007
JULIA VAN ADRICHEM AGNES V.D. GAAG MAGRIET V.D. HORN MARIJKE UITTENBROEK ANS VOLKERS
Painting SIDAC Julia van Adrichem 13 t/m 22 oktober 2006 installatie met verf en tekeningen
foto Inge Reisberman
Leidsch Dagblad, 19 oktober 2006, Leids Nieuwsblad 20 oktober 2006 en Leids Nieuwsblad 13 oktober 2006
De tranentrekker en de huilebalk - over kunst en sentiment, lezing door Onno Schilstra bij de tentoonstelling ‘Painting
SIDAC’ van Julia van Adrichem
Julia heeft me een jaar geleden gevraagd om vandaag een lezing te houden, en ’t maakte haar niet uit waarover. Ik voelde me dus geheel vrij in mijn onderwerpskeus, maar ik wilde wel iets doen wat op een bijzondere manier relateert aan het werk van Julia en deze tentoonstelling. Ik zal zo dadelijk vertellen hoe we op dit onderwerp zijn gekomen, maar eerst wil ik een snelle kunsthistorische blik op de tentoonstelling werpen. In het beeld van de met witte verf overgoten eettafel
zie ik allereerst iets, wat vandaag de dag nogal in de lucht hangt: de
laatste jaren zie ik steeds vaker beelden die het huiselijke, het intieme
op een bijna letterlijke manier naar de galerie of het museum verplaatsen.
Zo zag ik dit beeld afgelopen week in de Galerie van de Koninklijke Academie:
een tafel vol met lege flessen en vuile kopjes, waarvan in de naastgelegen
tentoonstellingszaal een spiegelbeeldige opstelling was gemaakt. Die werkwijze
is vergelijkbaar met een werk als My Bed van Tracy Emin – een onopgemaakt
bed dat de Britse kunstenares exposeerde met de begeleidende mededeling
dat ze hierin over zelfmoord had liggen nadenken. Terug naar het werk van Julia en het onderwerp van mijn verhaal, kunst en sentiment. Twee maanden geleden was ik bij Julia te gast op
haar atelier om te praten over haar aanstaande tentoonstelling in Sidac.
Ze vertelde me dat zij van plan was om iets te gaan laten zien wat terugging
op een presentatie die ze aan het eind van de 3e klas op de Koninklijke
Academie had gemaakt: een huiskamertafereel, gecombineerd met tekeningen.
Ik heb van die presentatie helaas geen foto’s, maar ik bewaar er
wel een mooie herinnering aan. Julia had twee lokalen gereserveerd. Eerst
liep je door het ene lokaal over een soort tegelpaadje naar het volgende
lokaal, en daar kwam je dan binnen in een denkbeeldige huiskamer, met
in het midden een grote tafel, waar allerlei dingen op stonden. Aan de
muur hingen grote en kleine tekeningen, nagetekend van jeugdfoto’s
van Julia. Met name de foto’s waarop Julia zichzelf temidden van
haar acht broers en zusjes had getekend, aan de eettafel, of keurig op
lengte opgesteld, herinner ik me als geestig en aangrijpend. Wij –
de docenten – hadden verwacht dat Julia in het volgende jaar verder
zou werken aan dit thema en hebben haar er vaak aan herinnerd. Maar Julia
ging een andere weg. In plaats van de jeugdbeelden verder aan te scherpen,
begon ze zich er stap voor stap van te verwijderen. Tijdens ons ateliergesprek
vertelde Julia me waarom: ze vond het werk namelijk te sentimenteel. En
bovendien emotioneerde het werken met haar jeugdfoto’s haar te hevig.
Ze verklapte me dat ze om het minste of geringste wel eens kan volschieten,
en dat ze als de dood is dat haar werk sentimenteel wordt. Met terugwerkende kracht zie ik nu hoe Julia zich
stap voor stap van de in haar ogen te sentimentele jeugdbeelden heeft
verwijderd. Eerst liet ze de kinderen weg uit haar beelden. Ze begon in
plaats daarvan kinderspeelgoed te tekenen en te schilderen. Maar zelfs
dat was kennelijk nog teveel van het goede, want de beelden van het speelgoed
ging ze overschilderen met witte gesso. Uiteindelijk bleef alleen nog
maar een witte mist over, waaronder je de contouren van het speelgoed
zag. En zelfs dat ging haar nog niet ver genoeg, dus begon ze haar schilderijen,
gemaakt op houtplaat, te verzagen, om ze daarna met verf te overgieten.
Het oorspronkelijke beeld lag nu ver begraven onder dikke plassen verf
en was verzaagd tot een legpuzzel. Zo ontstond een reeks werken, die ze
‘Paintings’ noemt. Julia’s ‘Paintings’ zou
je kunnen zien als pogingen om op een niet-sentimentele manier het sentiment
schilderkunstig te attaqueren. Zo is Julia in SIDAC teruggekeerd bij haar vertrekpunt: we zien een huiskamertafereel– een eettafel waaraan kennelijk kortgeleden (taart) is gegeten en gedronken, overgoten met grote plassen witte verf. Er is een vreemde wisselwerking tussen ‘echt’ en ‘geschilderd’ ontstaan. En voor het eerst heeft Julia het ook aangedurfd om weer tekeningen naar haar jeugdfoto’s aan de wand te hangen. Kennelijk is het sentiment met de ‘painting’-methode nu voldoende onder controle om de tekeningen weer ongecensureerd te durven vertonen. We hebben het tot nu toe over Julia’s persoonlijke gevoelens over haar werk gehad, maar dat is, als het om kunst en sentiment gaat, natuurlijk maar één kant van de medaille. De vraag is, of wat een kunstenaar hevig emotioneert, ook zo aangrijpend is voor een beschouwer. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit in tranen
ben geraakt om een schilderij of een sculptuur. Terwijl bij mij de tranen
nou ook weer niet al te moeilijk op te wekken zijn. In de bioscoop, of
in de opera ben ik vaak genoeg volgeschoten. Zo krijg ik onveranderlijk
een dikke keel van La Bohème van Puccini. Die opera is een tranentrekker
eerste klas, en alleen al het noemen van de naam of eraan denken, kan
me aan het snikken krijgen. Maar huilen om beeldende kunst? Daar ken ik
uit eigen ervaring geen voorbeelden van. Toch komt het wel voor. Toevallig
kreeg ik een paar weken geleden een brief van een student waarin zij vertelde
over een artistieke huilervaring. Ze schreef: Dat is toch een merkwaardig verhaal. Ik kom er
zo dadelijk nog op terug. Als we er even vanuit gaan dat de oorsprong van
onze cultuur ligt in de Griekse oudheid, dan is het goed om te kijken
wat de aartsvaders van de filosofie, Plato en Aristoteles over huilen
en kunst hebben gezegd. Ik laat een plaatje zien van een archaïsche
vaas met daarop een treurende figuur. Je ziet dat de voorstelling uiterst
ingehouden en gestileerd is. Plato leefde in de tijd waarin dit soort
vazen werd geschilderd, en in zijn woorden herken je misschien iets van
de mentaliteit van de vaasschilder. Hij schrijft: Plato verwoordt daarmee een opvatting die ook sterk in onze calvinistische cultuur verankerd is, meer in het bijzonder in de ‘Noordse’ variant van het tafelmotief dat ik zopas heb besproken. Het is de afkeer van het sentimentele, de gedachte van ‘een man mag niet huilen’ en ‘neem jezelf in acht’. Ik laat nu een toneelmasker zien zoals ze in de Griekse theaters werden gebruikt, een dikke honderd jaar later. Daarin manifesteert zich een heel andere houding, een houding die door Aristoteles werd gepropageerd. Voor Aristoteles was het heel belangrijk om veel te huilen, en in het bijzonder om tragische kunstwerken, want daarmee zouden wij onze ziel reinigen. Huilen is voor Aristoteles een vorm van loutering, van catharsis. In het navolgen van de wederwaardigheden van de helden uit noodlotsverhalen, kunnen wij begrip krijgen voor onze eigen hoogmoed, en kunnen wij leren om niet dezelfde fouten als de tragische helden te maken. Het moment waarop we tot besef komen is hevig emotionerend, en daarom louterend. In de loop van de westerse geschiedenis zie je die twee tegengestelde opvattingen elkaar steeds afwisselen: de afkeer van sentiment in de kunsten tegenover een uitgesproken voorkeur voor tranentrekkerij. Ik laat een paar voorbeelden zien. We maken een sprong in de tijd van zo’n duizend
jaar. Als je in het woordenboek zoekt naar de betekenis van het woord, dan staat er, dat een huilebalk oorspronkelijk de benaming is voor een bepaald type hoed, met een brede rand, die het hele gezicht bedekt. Ik vond er een prachtig kindergedicht over, dat goed weerspiegelt hoe de calvinist over het huilen denkt. Het is geschreven door ene J. Norweb, in 1860, in de bundel Stoute kinderen voor zoete kinderen: Piet de Huilebalk Dit kindervers is geschreven in een tijd, die volgt op een periode waarin er ruim baan werd gegeven aan het sentiment – de Romantiek. In de Romantiek kon het allemaal niet sentimenteel genoeg zijn. De Romantiek is de tijd waarin het tranentrekken tot hoge kunst werd – zie o.a. Puccini’s Bohème, en zie ook dit schilderij van Jean Baptiste Greuze, of dit schilderij van een exotisch oriëntaals huilend meisje – oerbron van het huilende zigeunerinnetje. Uit de Romantiek stamt ook een fenomeen wat tegenwoordig
wordt aangeduid als het Syndroom van Stendhal. De Franse schrijver Stendhal
publiceerde in 1817 een reisverslag, waarin hij vertelt hoe hij in Florence
getroffen werd door een eigenaardige ziekte in reactie op alle beroemde
meesterwerken van de kunst, die daar te zien zijn. Hij kreeg last van
hevige hartkloppingen, hallucinaties, koorts, duizeligheid en totale verwarring.
Aan het eind van de 19e eeuw zie je een afkeer van dit ‘valse’ sentiment ontstaan, en in de kunst uit zich dat onder meer in de tendens om het publiek te willen opvoeden in ‘goede smaak’. Zo vond al in 1851 in het Crystal Palace in Londen een tentoonstelling plaats, waarin het publiek werd gewezen op het verschil tussen ‘Kitsch’ en ‘echte’ kwaliteit. Kitsch was machinaal en in massa geproduceerd sentiment. Goede smaak richtte zich op kwaliteit, en die heette een oorspronkelijk en sober karakter te hebben. Die opvatting zie je ook terugkeren in een tijdschrift als De Stijl – hier vlakbij in Leiden ontstaan. De Stijl suggereert dat er maar één stijl is, en dat is de stijl van De Stijl, en Mondriaan was daarvan de profeet. George Braque, de bekende kubist, verwoordde het in 1917 aldus: ‘Verhevenheid komt voort uit ingehouden emotie.’ Braques kubistische evenknie Picasso nam het met die ingehouden emotie wat minder nauw, getuige bijvoorbeeld het portret van zijn geliefde Dora Maar, met de groteske huilgrimas. Parallel aan De Stijl in Holland ontwikkelde Kazimir
Malevich in Rusland aan het begin van de 20ste eeuw een volledig uitgepuurde
schilderkunst, die uitmondde in zijn beroemde ‘Zwarte Vierkant.’
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg deze richting een vervolg in de zogeheten
colourfield painting van schilders als Barnett Newman en Mark Rothko.
En wat heeft dit nu allemaal met de installatie van Julia te maken? Als u goed hebt gekeken, dan hebt u tussen alle kleine tekeningetjes aan de muur, getekend naar de jeugdfoto’s van Julia, één merkwaardig tekeningetje gezien met daarop... een zwart vierkant! Julia zei me daarover: dat is een tekening van een foto zonder voorstelling, de foto als zodanig. Ik ben zo vrij om deze tekening wat anders te interpreteren.
"Zwijntje" Eind juli 2006 hoorde ik van het project Zwijntje gaat vliegen van Eva Klee. Eva bouwt momenteel haar eigen projectruimte ( 'Zwijntje') voor onderzoek en experimentele installaties, op de NDSM-werf aan de IJ-oever in Amsterdam-Noord.Zij deed een oproep aan kunstenaars om een werk beschikbaar te stellen dat voortaan een verborgen bestaan tussen en achter de muren van Zwijntje zal leiden. Zwijntje gaat vliegen is een permanente, 'gesloten' tentoonstelling over 'verbeelding, de herinnering en het denken aan kunst. Een ode aan het verborgen leven'. Zie ook www.evaklee.nl/home Hieronder foto's van het schilderij dat ik meteen beschikbaar heb gesteld, en van de locatie.
Reproductie I, 2003, eitempera en gesso op MDF
loods op NDSM-werf, Amsterdam-Noord
Projectruimte in aanbouw, in loods. Reproductie I komt rechts bovenaan te hangen.
|